De basisprincipes in machineveiligheid toegelicht voor fabrikanten: interview met Dirk Van Mechelen, Manager Prosave

by Audrey Van den Bempt
De basisprincipes in machineveiligheid toegelicht voor fabrikanten: interview met Dirk Van Mechelen, Manager Prosave

De Machinerichtlijn is Europese regelgeving die eisen bevat waaraan machines, bestemd voor de Europese markt, moeten voldoen. Een zorgvuldige opvolging van deze richtlijn door fabrikanten en ondernemingen heeft een gunstige impact op de veiligheid op de werkvloer. Toch loeren er letterlijk en figuurlijk allerlei gevaren om de hoek die de toepassing ervan – en dus ook de veiligheid van werknemers – in gevaar kunnen brengen. We vroegen tekst en uitleg aan Dirk Van Mechelen, expert in machineveiligheid en docent van de opleidingscyclus ‘Certified expert machineveiligheid’ van Kluwer Opleidingen.

Kunt u de basisprincipes van de Machinerichtlijn beknopt toelichten?

Dirk Van Mechelen: “De Machinerichtlijn is Europese regelgeving die eisen oplegt aan fabrikanten die machines produceren voor de Europese markt. De richtlijn is samengesteld uit heel wat veiligheids- en gezondheidseisen en ook enkele administratieve eisen.”

We moeten hiervoor teruggaan naar 1985. In dat jaar wou de Europese Commissie een economische richtlijn uitwerken om de productie en commercialisatie van machines in Europa vorm te geven en aan te wakkeren. Bedoeling was om maximaal productenleveringen en geldstromen tussen de verschillende EU-lidstaten op gang te brengen.”

“De eerste Machinerichtlijn werd vier jaar later gepubliceerd, in 1989. De doelgroep waren machinefabrikanten, die vanaf nu rekening moesten houden met diverse eisen op het vlak van veiligheid en gezondheid bij de productie van machines. Zo mochten machines geen gevaar opleveren voor bijvoorbeeld gekneld raken, elektrische shock, straling, explosie, enzovoort.”

“De Machinerichtlijn is van kracht sinds 1 januari 1995. In 2006 publiceerde de Europese Commissie een nieuwe richtlijn, die in 2010 van kracht werd. Momenteel werkt Europa aan een update, op basis van een survey bij ondernemingen en fabrikanten.”

“Het basisprincipe van de Machinerichtlijn is duidelijk: machines vervaardigen die conform de technische spelregels zijn. Maar tegelijk is een van de zwaktes dat de regelgeving onvoldoende aandacht besteedt aan grotere, samengestelde projecten of installaties in fabrieken die door meerdere partijen worden opgebouwd. Hiervoor biedt de wetgeving weinig of geen ondersteuning.”

We komen hier later in het interview op terug. Welke wetgeving dient als kader voor machineveiligheid?

DVM: “Hier komen twee pistes in beeld, namelijk de Machinerichtlijn zelf (vanuit economisch oogpunt) en de wetgeving rond arbeidsmiddelen.”

“Beide pistes hebben een technisch kader, met evidente aandachtspunten voor het vermijden van lichamelijk letsel en schade. Na 1995 diende de Machinerichtlijn als basis voor de wetgeving rond aangedreven mechanische samenstellen en dit via het aanbieden van een kwaliteits- én veiligheidsniveau. De wetgeving rond arbeidsmiddelen focust op de relatie tussen werkgever en werknemer, waarbij de werkgever maximale inspanningen moet doen om de veiligheid en het welzijn van zijn medewerkers te garanderen.”

“In heel wat EU-lidstaten hanteert men momenteel een tweetrapsraket wat het veiligheidsniveau betreft: voor technische vereisten van bestaande machines ligt de lat wat lager, terwijl het niveau voor nieuwe machines een pak hoger wordt gelegd. Op termijn zal het gebruik van oude machines uitdoven, wat het veiligheidsniveau automatisch zal opkrikken. Ook belangrijk is dat de strengere veiligheidsvereisten steeds van toepassing zijn als men vandaag installaties of grotere projecten samenstelt.”

Met welke verplichtingen moet een Europees fabrikant anno 2020 rekening houden bij het opleveren van machines?

DVM: “Het algemeen principe van de Machinerichtlijn is zelfcertificatie. Dit betekent concreet dat de fabrikant zelf de methodes van de richtlijn toepast om aan de eisen van de richtlijn te voldoen. Dit geldt in het algemeen voor meer dan 90% van de geproduceerde machines in Europa. Deze procedure biedt als voordeel dat er geen third party evaluation nodig is, wat de prijs voor de klant drukt. Keerzijde van de medaille is echter dat alle partijen deze procedure serieus moeten nemen, waarbij vertrouwen een cruciale rol speelt.”

“Omdat de doelstellingen van de Machinerichtlijn vrij hoog liggen, halen fabrikanten niet altijd de gevraagde eisen. Soms gebeurt het dat ze onvoldoende oplossingsgericht meedenken met klanten, waardoor ondernemingen verantwoordelijk worden bij eventuele problemen en risicoblootstelling op de werkvloer.”

“Zelfcertificatie kan dus tot onveilige situaties leiden, want een inkopende onderneming is na oplevering niet meer in staat om een machine aan te passen, en voor de fabrikant is het verkochte product een afgesloten zaak. Enkel grote ondernemingen hebben voldoende knowhow en budget om extra ondersteunende diensten bij de fabrikant te bestellen. Voor vele kleinere ondernemingen is het roeien met de (budgettaire) riemen die ze hebben.”

Welke concrete stappen moet een fabrikant ondernemen voor zelfcertificatie?

DVM: “Hij moet de volgende stappen zetten: een risicoanalyse maken van de machine, zijn bevindingen neerschrijven in een technisch dossier (met vaststellingen, berekeningen, elektrische en technische tekeningen, overwegingen op het vlak van design, constructie en testen,…), een gebruikshandleiding en een Verklaring van Overeenstemming meeleveren en tenslotte de CE-markering op elke machine aanbrengen. In de verklaring van overeenstemming neemt de fabrikant de aansprakelijkheid op voor veiligheid en gezondheid voor de afgeleverde machine. Afwijkingen van de eisen van de richtlijn kan een fabrikant sancties opleveren, variërend van boetes tot het van de markt laten halen van een machine.”

“In dit verband is het trouwens belangrijk om te signaleren dat bij de Machinerichtlijn een bijlage hoort – bijlage IV – dat 23 machinetypes opsomt waar zelfcertificatie beperkt is tot het volgen van de geharmoniseerde normen. Het gaat hierbij onder andere om houtbewerkingsmachines, plooibanken, machines voor ondergrondse werkzaamheden, machines die personen hoger dan 3 meter kunnen heffen, garagehefbruggen, perssystemen voor vuilniswagens,…”

Bij het begin van dit interview had u het over een zwak punt in de Machinerichtlijn, namelijk het ondermaatse markt toezicht bij de fabricage van machines en samengestelde installaties. Hoe pakte Europa dit aan?

DVM: “Machineveiligheid is opgebouwd rond doelstellingen. De Europese wetgever lanceerde in 1985 een new approach om de veiligheid van machines maximaal vorm te geven. De verschillende EU-lidstaten waren echter niet in staat om deze Europese regelgeving in detail uit te schrijven, waardoor deze new approach een algemene doelstelling bleef met vage doelstellingen naar fabrikanten toe. Dit was vanaf het begin al de bedoeling.”

“Daarom werd de voorbije jaren een bijkomend kader van ca. 900 Europese normen gecreëerd, ter ondersteuning van de Machinerichtlijn. Deze aanpak geldt voor alle EU-lidstaten. Een belangrijk pluspunt van deze normen was en is dat zij niet enkel de doelstellingen verder aflijnen, maar ook het gewenste technische kwaliteitsniveau aangeven bij de productie van een machine.”

“In principe moeten fabrikanten deze normen nauwgezet opvolgen. Een verplichting is dit echter niet, omdat de Europese Commissie oordeelt dat een te strenge normering nefast is voor innovatie op het vlak van ontwikkeling en productie van nieuwe machines.”

“Deze normen kunnen ook als leidraad gebruikt worden door de aankoper van een onderneming om te bepalen aan welke criteria een gewenste machine-installatie moet voldoen. In dat geval kunnen bepaalde gewenste normen in het lastenboek opgenomen worden, waarna de preventieadviseur – bij oplevering – de normen kan vergelijken met de geleverde machine. Een goede inhoudelijke kennis van de normen is dus zeker een pluspunt, al is dit in de praktijk weinig realistisch omwille van het groot aantal normen. Vooral in grote ondernemingen is deze expertise aanwezig. Kleinere bedrijven vertrouwen hiervoor meestal op externe consultants.”

Bij de bespreking van de Machinerichtlijn mag een korte toelichting van het LOTOTO-principe niet ontbreken. Kunt u dit principe kort schetsen? En waarom is dit principe belangrijk?

DVM: “LOTOTO staat voor Lock Out – Tag Out – Try Out, wat zoveel betekent als Stopzetten/vergrendelen – Markeren – Controleren. Dit is een veiligheidsprocedure die mensen moet beschermen die (onderhouds)werkzaamheden uitvoeren aan machines, installaties of apparatuur. LOTOTO zorgt ervoor dat een fysieke afscherming voor de onderhoudsmedewerker of monteur wordt gecreëerd, door ervoor te zorgen dat inschakelen of opstarten tijdens de werkzaamheden niet meer mogelijk is.”

“Lock Out kan men ook omschrijven als “het energievrij schakelen”, waarbij energie diverse vormen kan aannemen: elektrische energie (die moet uitgeschakeld worden tijdens werkzaamheden), perslucht (die moet afgezet worden) of een mechanische beweging (bijvoorbeeld een machine stilleggen door het openen van een toegangsdeur).”

“Tot daar de theorie wat lock out betreft, want deze fase in de procedure dient tot niets als een medewerker achter de rug van de onderhoudsmedewerker de toegangsdeur opnieuw sluit of een electriciteitsschakelaar terug aanzet. Door een Tag Out voorziet men een extra slot (en dus beveiliging) op de werkomgeving, wat de onderhoudsmedewerker extra veiligheid garandeert. Maar ook deze fase volstaat niet. Het blijft uiteraard cruciaal om de hele procedure goed te testen. En daarvoor dient de fase ‘Try Out’.

Bedankt voor dit gesprek.

DVM: “Graag gedaan.”

Zin in meer?

Volg de opleidingsreeks Certified expert machineveiligheid, of kies de module die het best bij jou past. Daarnaast kun je ook de opleidingen Veiligheid bij het ontwerpen van machines en Risico’s en preventiemaatregelen bij laag- en hoogspanningsinstallaties volgen.

Biografie

Dirk Van Mechelen, manager, Prosave Consulting

Lees ook