Strenge uitspraken zorgen voor nog betere bescherming van de consument

by Bieke Cauwenberghs

Ondanks het feit dat de Europese regelgeving in verband met onrechtmatige bedingen dateert van 1993, is er de laatste tien jaar een opmerkelijke tendens in de uitspraken van het Europese Hof van Justitie. Professor Reinhard Steennot legt de grootste risico’s voor ondernemingen uit.

Manifeste schending gemeenschapsrecht

De interpretatie van de regelen inzake oneerlijke bedingen door het Europese Hof van Justitie heeft in eerste instantie een impact op ons nationaal procesrecht. Deze vaststelling is vooral voor magistraten belangrijk. “Het Hof baseert zich op het feit dat de consument zich in een zwakkere positie bevindt en een daadwerkelijke bescherming van de consument maar mogelijk is als de nationale rechter verplicht is regelen inzake oneerlijke bedingen ambtshalve op te werpen. Deze verplichting geldt ook als de consument verstek laat gaan. De rechter moet dan de debatten heropenen opdat de onderneming haar argumenten kan laten gelden. Miskent de nationale rechter, die uitspraak doet in laatste aanleg, de verplichting om het onrechtmatig karakter van een beding ambtshalve op te werpen, dan kan dat zelfs leiden tot aansprakelijkheid van de staat, wegens een manifeste schending van het gemeenschapsrecht.”

 

Geen reductie van het beding

Daarnaast hebben de uitspraken van het Europese Hof van Justitie ook een impact op ons nationaal verbintenisrecht, benadrukt professor Steennot. “Wanneer een beding onrechtmatig is en nietig verklaard wordt, kon men tot voor kort altijd nog de regelen van het suppletief of aanvullend recht toepassen. Dat is bijvoorbeeld van belang indien de consument te laat betaalt. In dat geval bepalen de algemene voorwaarden veelal dat nalatigheidsinteresten en een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd zijn. Indien deze bedongen vergoedingen kennelijk bovenmatig zijn (en dus onrechtmatig), dan kon de onderneming op basis van het gemeen recht tot voor kort toch nog een schadevergoeding krijgen. Dat is nu niet langer het geval! Het Europese Hof van Justitie oordeelt namelijk dat de sanctie een afschrikwekkende werking moet hebben. En niet enkel een reductie van de bedongen vergoeding is onmogelijk. Ook een aanvulling met suppletief recht na vernietiging is verboden. Kortom, ondernemingen krijgen helemaal geen schadevergoeding meer indien de bedongen schadevergoeding onrechtmatig is.”

 

“Een concreet voorbeeld zijn de vele invorderingen in rechte door telecombedrijven. Laat de consument verstek gaan, dan moet de rechter ambtshalve nagaan of de bedongen schadevergoeding al dan niet onrechtmatig is. Blijkt het beding oneerlijk, dan zal de onderneming geen enkele schadevergoeding meer kunnen verkrijgen.”

 

Als de consument te laat betaalt, dan kunnen nalatigheidsinteresten of bedongen vergoedingen aangerekend worden. Waren die in het verleden kennelijk bovenmatig, dan kon de onderneming op basis van het gemeen recht toch nog een schadevergoeding krijgen. Dat is nu niet langer het geval!

Reinhard Steennot

 

Terugbetalingsplicht

Uit recente uitspraken blijkt bovendien een nog groter risico voor ondernemingen. “Wanneer een consument bedragen ten onrechte heeft betaald, dan moet hij die terug kunnen krijgen. Dat kan het geval zijn wanneer er sprake is van een onrechtmatig schadebeding of een onrechtmatig prijswijzigingsbeding. Er wordt geoordeeld dat het oneerlijk contractueel beding nooit had mogen bestaan, en dat de consument dan ook in zijn situatie hersteld moet worden. Alle ten onrechte betaalde bedragen moeten dus worden terugbetaald. Deze terugbetalingsverplichting is volgens het Hof noodzakelijk om opnieuw de afschrikwekkende werking te garanderen. Bovendien oordeelt men dat de terugbetalingsverplichting niet in de tijd beperkt kan worden tot een bepaalde datum – bijvoorbeeld de datum van een gerechtelijke uitspraak. Voor zover er geen verjaring is ingetreden, moet de terugbetaling door de consument gevraagd kunnen worden. En niet onbelangrijk: in België kunnen inbreuken op vlak van consumentenrecht leiden tot collectieve vorderingen. De financiële implicatie op een onderneming kan uiteraard heel groot zijn.”

 

Professor Steennot geeft nog enkele concrete voorbeelden. “In contracten van onbepaalde duur is een eenzijdige prijswijziging enkel mogelijk indien men het vooraf ter kennis brengt én de consument de kans krijgt kosteloos op te zeggen. Bij contracten van bepaalde duur is een prijswijziging zelfs helemaal verboden. Maar ook als een beding onvoldoende duidelijk is geformuleerd, kan het onrechtmatig zijn en kan dit aanleiding geven tot een terugvordering. Ondernemingen kunnen hun algemene voorwaarden dus maar beter eens grondig nakijken!”

 

Zin in meer?

Het Wetboek Economisch recht is al even van kracht. De opleiding ‘Marktpraktijken en consumentenrecht anno 2017’ gaat dieper in op de actualiteiten ervan.

 

Na het behalen van zijn licentiaat in de rechten aan de UGent in 1998 legde Reinhard Steennot zijn focus in zijn doctoraatsproef op consumentenbescherming en de juridische aspecten van elektronische betaalsystemen. In 2003 werd hij aangesteld als professor in het economisch en financieel recht. Zijn onderzoek spitst zich vooral toe op het private bankrecht, consumentenbescherming en elektronische handel. Hij is lid van de Commissie voor Onrechtmatige Bedingen, voorzitter van de Raad voor het Verbruik en lid van de Raad van Toezicht van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA).

 

Lees ook